Waarde van diverse ontmoetingen op diverse plekken

Ontmoetingen komen op uiteenlopende plekken tot stand. Verschillende plekken en uiteenlopende voorzieningen kunnen zo sociaal van waarde zijn. Denk aan plaatsen om te bewegen (een speeltuin, een park), te geloven of te gedenken (een kerk, een moskee, een begraafplaats) of te leren en te werken (een school, koffietentje, een sociale werkplaats). En ook winkels en horeca kunnen een belangrijke ontmoetingsfunctie hebben. Het zijn plekken die in elke buurt wel op een of andere manier aanwezig zijn, alhoewel wisselend toegankelijk, gericht op verschillende doelgroepen of niet altijd bewust ingericht op ontmoeting. Hoe kunnen uiteenlopende plekken en voorzieningen vanuit verschillende domeinen bijdragen aan een sociale leefomgeving?

Interview

‘Gooi er een bal tussen, en er gebeurt iets!’

We spreken Ilja van Holsteijn, verantwoordelijk voor de inmiddels ongeveer 180 Cruyff Courts bij de Johan Cruyff Foundation. In 2003 legde de stichting het eerste veldje. Als antwoord op het verdwijnen van openbare sportvoorzieningen uit woonwijken naar de randen van de stad. We spreken Ilja van Holsteijn over hoe sport niet alleen jongeren zelf verbindt, maar ook de brug kan slaan met andere bewoners en – als het nodig is – met hulpverleners.

Wat maakt een Cruyff Court anders dan een ‘normaal’ sportveldje?

Deels is dat de aandacht die we besteden aan de uitstraling van het veld en de kwaliteit van de materialen. Maar het zit vooral in ons bredere concept. We gaan altijd actief met gemeenten die een Cruyff Court aanvragen in gesprek. Waarom willen jullie een sportveldje? Welke problemen willen jullie ermee oplossen? Daar zoeken we echt naar: blijft bijvoorbeeld sportdeelname achter, is er overlast doordat jongeren geen eigen plek hebben, of is behoefte aan plekken voor jongeren om samen te kunnen komen?

We zetten ook actief in op voldoende activiteiten, zodat het veldje gaat ‘leven’. We leiden coaches uit de wijk op die daar een rol in kunnen spelen. En overal hangen de 14 regels van Johan Cruyff. Daar kun je als coach dus echt mee aan de slag.

We hopen zo dat Cruyff Courts levendige, maar ook veilige plekken zijn, waar verschillende groepen zich thuis kunnen voelen. Lukt dat niet, bijvoorbeeld door overlast, dan maken we daar ook actief werk van. Dan gaan we soms in gesprek met een gemeente. Vergeet niet: op steeds meer plekken moet je om te kunnen sporten lid zijn, of betalen. Onze veldjes zijn altijd publiek toegankelijk. Ook dat is erg belangrijk.

Wat is de sociale waarde van sporten?

Als sport iets doet, is het verbinden. Het is hét ideale middel om mensen bij elkaar te brengen: gooi er een bal tussen en er gebeurt iets. Het neemt de drempel weg om met anderen in contact te komen, je hebt meteen een gemene deler. Zo kan er echt iets ontstaan op een plek: ontmoetingen, gesprekken, vriendschappen, even uit de waan van de dag. Zoiets geldt ook voor ontmoetingen tussen jongeren en professionals, zoals jeugdwerkers. Ook zij komen veel makkelijker met de jeugd in een wijk in contact op Cruyff Courts. De drempel om elkaar op te zoeken of in gesprek te raken, vervalt als het ware. Door op een andere manier met elkaar om te gaan, creëer je een vertrouwensband.

Hoe betrekken jullie de buurt?

We maken er echt werk van om te zorgen dat een Cruyff Court inspeelt op de situatie in een buurt. Wij gaan altijd zelf op locatie kijken: past een nieuw veldje hier? En we gaan in gesprek met bewoners, jongeren en anderen, zoals buurtwerk, onderwijs of de wijkagent. Is er draagvlak? Wie wil meedoen? De uitkomst vatten we in een sociaal convenant. We bouwen dus niet alleen het veldje, maar maken ook afspraken over wie welke rol op zich neemt en wie coördineert.

Waar ben je het meest trots op?

De verbindingen die we weten te leggen. Bijvoorbeeld door ook culturele activiteiten op Cruyff Courts mogelijk te maken. Of door samen met sportbonden en Adidas werk te maken van gendergelijkheid. Want dat blijft toch wel een uitdaging: om ook meisjes aan te trekken.

Ik ben ook trots op ons Heroes of the Cruyff Courts project. Daarin leiden we lokale jongeren uit de buurt op tot coaches. Zij spelen een actieve rol op onze Cruyff Courts, bijvoorbeeld door jeugdtoernooien te organiseren. Door die activiteiten kun je ook meteen het gesprek aangaan met jongeren over bijvoorbeeld gelijkheid en de waarde van voldoende beweging. En in dat project zetten we ook echt in op vrouwelijke coaches, om zo ook meer meisjes te betrekken.

Sowieso is het werk van buurtsportcoaches en jongerenwerkers cruciaal. Met onze Cruyff Courts proberen we hen echt te faciliteren. Soms zijn de effecten van wat zij doen moeilijk meetbaar, maar ze zijn wel heel belangrijk. Bijvoorbeeld in Den Haag, waar we zagen hoe de jongens en meisjes die actief werden op één van onze velden meer ambitie kregen. Waar ze eerst nog wilden stoppen met hun opleiding, hebben ze die nu afgemaakt.

Zijn alle Cruyff Courts succesvol?

Ons doel is om met Cruyff Courts veelgebruikte plekken te maken waar mensen elkaar vinden. Dat er iets gebeurt, activiteiten worden ondernomen. Dus dat er niet alleen door één groep wordt gesport, maar door verschillende groepen, jongens en meisjes, jong en oud.

We zien dat een sportveld werkt als het echt tussen bewoners ligt, op plekken waar mensen toch al spontaan komen. Dus niet op een sportveld ver weg. Dat hebben we wel eens gedaan, maar dat paste toch niet goed. In een specifieke situatie zien we ook wel hoe een Cruyff Court lang goed werkt, maar na 10 jaar als het ware uitgewerkt is geraakt. De jeugd is opgegroeid, bewoners zijn veranderd en dan verliest het zijn functie. Dat is op zich ook prima, en dan is het logisch om plek te maken voor iets anders.

Hoe kijken jullie naar de toekomst?

Het afgelopen jaar zag ik de aanvragen voor Cruyff Courts toenemen. Corona heeft laten zien hoe belangrijk sporten en bewegen zijn. We willen ook een slag slaan op de programmering: ons nog meer richten op verschillende doelgroepen. Bijvoorbeeld door een meer multifunctionele inrichting. Onze roots liggen dan wel bij voetbal, maar we denken nu bijvoorbeeld ook aan wandelpaden voor ouderen of dansvloeren voor meiden. We moeten telkens goed blijven kijken: waar is in een buurt behoefte aan?

Wat zijn jouw lessen om ruimte te maken voor ontmoeting?

Werk laagdrempelig. Maak plekken die voor veel mensen makkelijk toegankelijk zijn. Waar je niet voor hoeft te betalen, op routes die logisch zijn, verweven in de structuur van een wijk.

En maak het voor de bewoners mogelijk om een actieve rol te vervullen. Vaak is die wil er wel, maar lukt het om allerlei redenen niet. Of het komt uiteindelijk neer op maar een paar mensen. En als in hun leven iets gebeurt, zoals een nieuwe baan of gezinsuitbreiding, dan stort ook veel weer in elkaar. Juist daarin kunnen professionals helpen. Een plek hebben is dus 1, maar die draaiende houden, is een tweede.

Over de auteur
Video

Zorgen doorgeven

Gerda van Gogh is Overste van de Zusters Franciscanessen. Ze woont samen met nog 35 andere zusters in het Kloosterkwartier in Veghel. De gemeenschap heeft altijd en op veel manieren hulp geboden aan mensen die dat nodig hadden. Nu de gemeenschap steeds kleiner wordt, zal ze haar erfgoed op korte termijn moeten overdragen. In de volgende video vertelt Gerda van Gogh hoe de gemeenschap het ‘zorgen voor elkaar’ probeert door te geven. In het interview met Michiel Wijnen is te lezen wat de rol van maatschappelijk ontwikkelaar Zenzo is bij de herontwikkeling van het Kloosterkwartier. De video is onderdeel van de eerste aflevering van de serie ‘Panorama on tour´, een serie gemaakt door het College van Rijksadviseurs.

Reportage

De Participatie Keuken

Van samenredzaamheid naar zelfredzaamheid

De Raad voor Volksgezondheid & Samenleving en het Atelier Rijksbouwmeester ontmoeten Ben Lachhab bij de Participatie Keuken, gelegen in Hart van Moerwijk, een verzamelgebouw voor (sociale) ondernemers én buurtkamer in de gelijknamige Haagse wijk. Toen de eerste coronagolf Den Haag bereikte, vatte Ben het plan op om 100.000 maaltijden te bereiden voor Hagenaars die het goed konden gebruiken. 4 maanden later was de honderdduizendste maaltijd een feit. Wat begon als een oproep om de handen ineen te slaan, is in korte tijd uitgegroeid tot een ambitieus sociaalmaatschappelijk initiatief: de Participatie Keuken. De activiteiten in de Participatie Keuken zijn niet alleen gericht op bewust en gezond eten. Ze zijn ook altijd gericht op het stimuleren van contact en het bevorderen van integratie. Grote ambities dus. Daar ontbreekt het bij de Participatie Keuken niet aan. Enthousiast leidt Ben ons rond.

Zijn Participatie Keuken beslaat haast de hele benedenverdieping van Hart van Moerwijk. In een grote ruimte staan dozen vol voedsel en een tiental diepvriezers. Allemaal bevatten ze producten die klaar staan om uitgedeeld of bereid te worden. 100 ouderen uit Den Haag krijgen wekelijks op vrijdag een maaltijdpakket met 5 gezonde, verse maaltijden. Bereid door diverse horeca in Den Haag en bezorgd door vrijwilligers. De Participatie Keuken is de spin in een groot web: van een hotelketen tot aan een multinational en kleinere bedrijven, iedereen helpt mee. En dat is zeer welkom, want een eigen keuken heeft de Participatie Keuken nog niet. Die komt binnenkort op de plek waar nu de dozen staan.

Voor de Participatie Keuken draait alles om het bundelen van krachten. Niet denken in termen van ‘hun wereld én onze wereld, maar ONZE wereld!’ Een wereld die binnen enkele maanden moet samenkomen in een ruimte waar nu alleen nog een paar tafels en stoelen staan. ‘Dit wordt hét sociale stadsrestaurant van de buurt en voor iedereen.’

Ben toont ons de plannen, hoe deze plek moet uitgroeien tot een hotspot voor ontmoeting. ‘Ongeacht leeftijd of achtergrond, via het culturele en het culinaire kan je werelden verbinden.’ Daar gelooft men bij de Participatie Keuken in. Ben ziet het nu al ontstaan. Sinds de buurt weet dat de Participatie Keuken zich hier bevindt, hoeft hij naar eigen zeggen niet te zoeken naar mensen die willen meedoen. ‘Zolang mensen iets vinden waar ze vanuit gemeenschappelijkheid bij kunnen aansluiten, ben je als organisatie vertrokken. De betrokkenheid komt nu al uit alle hoeken van de stad.’

Voor Ben is vooral de impact van belang, niet de organisatie. De Participatie Keuken wil andere initiatieven helpen te verzelfstandigen en verduurzamen, zodat iedereen gaat samenwerken en er gezamenlijk impact gemaakt wordt. De missie is helder: ‘het vergroten van de veerkracht van de samenleving. Met minstens 50 procent. Zo gaan we van samenredzaamheid naar zelfredzaamheid.’ Verbinding is daarbij het sleutelwoord: ‘Door verbinding wordt armoede minder, eenzaamheid minder, en weet men elkaar te vinden. We hebben elkaar allemaal nodig. Iedereen heeft een bepaalde bijdrage.’

De aanwezigheid van de Participatie Keuken heeft zijn effect op de openbare ruimte in de buurt: het enthousiasme van Ben lijkt er op natuurlijke wijze op af te stralen. ‘Er is hier een vrouw die een barbecue organiseerde voor haar familie, achter het hek van haar tuin. Ik ben met haar gaan praten, en met de woningcorporatie. Die heeft haar tuin groter gemaakt; haar tuin ligt nu gedeeltelijk op een gezamenlijke ruimte. Nu mogen ook buurtbewoners aanschuiven bij haar barbecue!’ Ben toont ons de plek, en neemt ons mee naar een moestuintje dat zich achter de Participatie Keuken bevindt. ‘Hier verbouwen we nu groenten en kruiden, samen met de mensen die rond deze tuin wonen.’ De Participatie Keuken is met de corporaties in gesprek om ook andere gezamenlijke moestuintjes aan te leggen. ‘Hoe mooi is dat?’

Blog

De basisschool als sociale omgeving

Ook basisscholen hebben een belangrijke sociale functie. Voor hun leerlingen, naast persoonsvorming en kennisontwikkeling. Maar ook voor de buurt als geheel, zeker nu andere voorzieningen dreigen te verdwijnen.

Een nieuwe sociale instelling

De afgelopen 10 jaar is een nieuwe sociale instelling ontstaan, het Integraal Kindcentrum (IKC). Wat we vroeger of in het dagelijks taalgebruik een basisschool noemden, is steeds vaker een kindcentrum of IKC. Alhoewel er onderlinge verschillen zijn, is een algemene noemer van het integrale kindcentrum de overkoepelende organisatie van basisonderwijs, kinderdagopvang, peuterspeelzaal en buitenschoolse opvang in 1 centrum. Op een IKC is geen sprake meer van gescheiden organisaties, maar van 1 organisatie, onder leiding van 1 directeur/directrice, en met 1 gezamenlijke inhoudelijke visie. noot 1

Blog

Nieuwe ‘tussenruimtes’ voor ontmoeting in de wijk

Het potentieel van labs, hubs en werkplaatsen

‘Toenemende segregatie en scheidslijnen’. ‘Leven in je eigen bubbel’. ‘Kloven tussen systeem en leefwereld’. ‘Verkokering tussen ministeries en gemeentelijke afdelingen’. ‘Burgers die van het kastje naar de muur worden gestuurd’.

Zomaar een greep uit mediaberichten die niet gelijk vrolijk stemt. Het overkoepelende thema lijkt het gebrek aan ontmoeting over grenzen heen te zijn. Ontmoeting tussen andersdenkenden. Ontmoeting tussen overheidsambtenaar en burger. Ontmoeting tussen verschillende afdelingen, organisaties en kennisdisciplines. Terwijl deze ontmoeting juist nodig is voor een waardevol leven en om als samenleving te komen tot een intelligentere aanpak van wicked problems, zoals toenemende (gezondheids)verschillen, een groeiende bestaansonzekerheid en de energietransitie.

Dit roept de vraag op wat ontmoeting eigenlijk is en wat ervoor nodig is. De organisatiewetenschapper Bartels (2013) heeft hier een mooie definitie van gegeven. Ontmoeting is dat ‘what happens in between’ in het moment van interactie. Dit is meer dan de optelsom van ‘1 + 1 = 2’. Het gaat om een relationele ontologie, noot 1 waarbij ontmoeting tot nieuwe inzichten leidt.

Gedichten

Zie de mooie dingen dan

De meeste jongens uit de wijk kwamen-komen hier.

Dit pleintje.

Een beetje ouwehoeren. Kletsen. Voetballen.

Het ging-gaat om ontmoeten.

Elkaar weer zien. Mijn vrienden. Mijn beste vrienden van school.

Ik ben hier opgegroeid.

Langs het kanaal. Gewoon alleen. Lopen.

Aan het einde van de middag. Met vrienden. Chillen.

Dit is [ook] een achterstandsbuurt-Vogelaarwijk.

De stempel. Het stempel. Dat stempel. Deze stempels.

Zijn er nog steeds.

Herkenbaar. Zichtbaar.

Zie de mooie dingen dan.

Onderbelicht-Overbelicht Uitzicht

Langs het water. Zonnebloempitten eten.

Babbelen. Bij mooi weer.

Zie de mooie dingen dan.

Als de zon schijnt dan is het echt prachtig hier.

Prachtwijk. Krachtwijk. Vogelaarwijk. Achterstandswijk.

De brug. Het kanaal. Overlast.

Iconisch Kanaleneiland.

Het is echt mooi. Zie het dan.

Dit is ook een achterstandsbuurt.

Hier wonen jongeren met dezelfde achtergrond

Voetballen

Zwaluwen Kampong

Daar was ik niet de enige

Marokkaanse jongen Bonifatius en de Uni

Onbewust ga je je anders gedragen

Kanaleneiland-Zuid.

Hun tennispark. Hun wijk. Mijn wijk. Onze wijk.

Ik ben hier opgegroeid.

Ik ken iedereen wel.

Ik voel mij hier thuis.

Hoograven. Mijn wijk.

Hier woon ik, tussen landrovers, tesla’s en bmw’s; loop ik, langs onbewoonbaar bewoonbaar ge(her)structureerd; voetbal ik, waar een fiets aan het hek Paul Verweel herinnert; sta ik, waar school breed smal wordt gesegregeerd; speel ik, aan de stoepranden van mijn huis,

Hoograven, mijn wijk.

Hier werk ik, ‘ t Goylaan die zuid en noord lawaaierig van elkaar scheidt; studeer ik, waar een bruine bank gescheiden studentenwerelden representeert; werk ik, aan gelijke uitkomsten in het onderwijs; volg ik, de Limes-mozaïek van mijn wijk; droom ik, over druivenstruiken in de voortuin van mijn huis;

Hoograven, mijn wijk.

Hier loop ik, twee werelden worden heel eventjes één; sta ik, ‘hé dat is mijn ma op de fiets’; loop ik, op golvende resten zonnebloempitten; steek ik over, met een grote boog om hen heen; woon ik, deze fijne plek is mijn buurt;

Hoograven, mijn wijk.

In gesprek met Salim Benali & Khadija Sanhaji | Fotografie: Hillie de Rooij | Auteur: Patricia Wijntuin

Over de makers
Video

The Voyage

Ontmoeten tijdens de coronapandemie

In de winter van 2020–2021 creëerden studenten Gabija Bubnyte, Julia Gat, Betsie Loeffen en Sarah de Buck van het Rotterdam Arts and Sciences Lab en fietsboodschapper Tomi Hilsee de performance ‘The Voyage’. Door middel van The Voyage onderzochten de studenten wat onderwijs is en waar het plaatsvindt, vooral ten tijde van de sociale isolatie die werd opgelegd door de coronapandemie. De studenten liepen een dag mee met Tomi de fietsboodschapper en faciliteerden al fietsend een gesprek. Het viertal creëerde zo de ruimte voor betekenisvolle ontmoetingen en kennisuitwisselingen buiten de reguliere onderwijscontext tijdens een gezondheids- en veiligheidscrisis.

The Voyage is vastgelegd in onderstaande Engelstalige mini documentaire:

KaderOver ‘Re-imagining Tomorrow Through the Arts and Sciences’

Het project kwam voort uit de minor ‘Re-imagining Tomorrow Through the Arts and Sciences’ door Rotterdam Arts and Sciences Lab (RASL). Dit is een samenwerking tussen de Erasmus University Rotterdam (EUR), Codarts Rotterdam – University of the Arts en de Willem de Kooning Academy (WdKA).

RASL werd in 2015 opgericht en biedt sinds 2016 de Dual Degree aan, een programma dat studenten in staat stelt om binnen 5 jaar 2 Bachelorsdiploma’s te behalen: 1 binnen de kunsten en 1 binnen de wetenschappen. In 2019 riep RASL haar minor in het leven. Deze minor is niet alleen toegankelijk voor Dual Degree studenten, maar voor studenten van een brede variëteit aan bacheloropleidingen binnen de kunst en wetenschap.

De minor wordt gedreven door maatschappelijke urgentie. Complexe problemen zoals klimaatverandering, een veranderend politiek landschap, ecologische aftakeling, de migratiecrisis en het waarborgen van de volksgezondheid vragen om wendbaarheid en een toekomstgerichte aanpak. RASL streeft naar het faciliteren van ontmoeting, samenwerking en kruisbestuiving tussen de kunsten, wetenschappen en de maatschappij met als doel om dergelijke vraagstukken vanuit verschillende perspectieven aan te kaarten. De interactie tussen actoren en het samenbrengen van verschillende vormen van kennis zijn hierin van groot belang.

Tijdens de eerste 10 weken van de minor werken studenten in gemengde groepen aan het herformuleren van een zelfgekozen maatschappelijk probleem. De laatste 10 weken werken studenten aan een individueel onderzoeksproject. In maart 2021 werd de RASL minor bekroond met de eerste Nederlandse Hogeronderwijspremie, een prijs die innovatief onderwijs beloond. In de toekomst zal RASL ook transdisciplinaire Bachelor en Masteropleidingen aanbieden.

Video

Toevallige ontmoetingen

Irene Edzes is architect bij Vollmer & Partners, een bureau voor stedenbouw en landschapsontwerp. Samen met Twynstra Gudde heeft het bureau voor de ontwerpprijsvraag WHO CARES een concept ontwikkeld waarmee de kans op toevallige ontmoetingen wordt vergroot: Michi-Noeki. In de volgende video vertelt Irene Edzes waarom toevallige ontmoetingen zo belangrijk zijn en hoe zij hiervoor met Michi-Noeki ruimte maakt. De video is eerder gepubliceerd in het eerste online magazine ‘Panorama in de praktijk’ van het College van Rijksadviseurs.

Blog

Tussen de mensen

Joke van der Zwaard vertelt over de diverse doelen van de Leeszaal voor de verschillende bezoekers.

Zaterdagmiddag word ik gebeld: ‘Is de Leeszaal open?’. ‘Jawel, tot 14 uur, coronatijden.’ ‘Is Lidia er?’ Dan herken ik zijn stem. ‘Oh Wim, ik ben nu niet in de Leeszaal, maar Lidia wel.’ ‘Dan bel ik haar wel.’ Mijn telefoonnummer staat op de website, maar blijkbaar heeft hij ook het nummer van deze hartelijke Roemeens-Rotterdamse vrijwilligster. Vóór corona kwam hij bijna dagelijks in de Leeszaal; het was zijn vaste rondje, de laatste tijd schuifelend achter een rollator. Met de 1 praat hij over boeken, met de ander over het weer. Sinds hij thuis een keer akelig is gevallen, mag en durft hij niet meer alleen de straat op. Later hoor ik dat Lidia hem heeft opgehaald en dat ze dat wel eens vaker doet.

Interview

De openbare ruimte als bewegingsruimte

Sport als motor van ontmoeting

Het naar buiten gaan is de kern van sport. Dan gaat het niet enkel om presteren en competitie. Het begint bij bewegen, spel en recreatie. De openbare ruimte heeft daarin een essentiële rol te vervullen. Ze moet ons uitnodigen om in beweging te komen en zo ontmoeting te faciliteren. We spraken met stadsgeografe Lia Karsten en directeur van het Mulier Instituut Hugo van der Poel. Welke rol zien zij voor de sport weggelegd in de totstandkoming van een sociale en gezonde leefomgeving?

Wat is de rol van sport in het ontmoeten van elkaar?

Lia: Ik zie sport als een breed verhaal. Het gaat in eerste instantie om bewegen, spelen en dan misschien sport zoals die nu functioneert. Daarvoor moet je naar buiten gaan. Als je naar buiten gaat, ben je al aan het bewegen en dan creëer je voor jezelf de optie tot ontmoeten. Bewegen is dan het sleutelelement, niet zozeer sport. En er ruimte voor hebben natuurlijk.

Hugo: Sport is, zoals Lia aangeeft, meer dan de traditionele Engelse sport die zich afspeelt in verenigingsverband, die gericht is op trainen, prestatieverbetering en competitie. Dat is nog steeds de kern van het sportsysteem, maar de groei zit aan de randen van dat systeem. Denk aan fitness en yoga thuis bijvoorbeeld. En wat we vroeger recreatie noemden, zien we nu ook als deel van het sportsysteem: fietsen, wandelen, bootcamp, voetballen op een Cruyff Court... Dit soort sportief-recreatieve praktijken zorgt steeds meer voor ontmoetingen in de openbare ruimte.

Zijn er zaken waarover jullie je zorgen maken met betrekking tot het sporten buiten?

Lia: Ik hanteer hier toch weer even die brede definitie; het bewegen in de openbare ruimte. Dat gebeurt soms ongrijpbaar; een ommetje maken, even een balletje trappen, op de fiets stappen. Dat soort bewegen is van groot belang. Mijn eerste zorg is dan ook de stedelijke verdichting die momenteel gaande is. Door de enorme bouwopgave komt de buitenruimte onder druk. Daar moet aandacht voor zijn, juist voor het ‘ongrijpbare’ sporten. We moeten ons de vraag stellen hoe we het bewegen buiten blijven accommoderen, ook voor mensen die bijvoorbeeld elf hoog wonen in een flatgebouw. Mijn tweede zorg is verdringing in de openbare ruimte. Krijgt elke groep wel voldoende toegang tot een mooi opgeknapt pleintje, of wordt dat als het ware door één bepaalde groep opgeëist?

Hugo: We zien de laatste vijftig jaar rond de traditionele kern van sport veel ontwikkeling van allerlei activiteiten die deels kenmerken hebben van sport en deels van een ander systeem. Bijvoorbeeld het gebruik van natuurgebied om te hardlopen of fietsen. Of sociaal-sportieve praktijken. Daarbij gaat het om initiatieven vanuit de welzijnshoek die sport instrumenteel inzetten om jongeren te bereiken om sociale cohesie of sociale structuur tot stand te brengen. Zo zouden we ook van gezond-sportieve praktijken kunnen spreken: bewegen als functionele inzet voor gezondheid. Die verschillende sportieve praktijken vergen altijd een specifieke balans. Het gaat om de fysieke ruimte voor dat type bewegen. Maar ook om de organisatie van dat type bewegen – om bijvoorbeeld verdringing te voorkomen of de gezondheid te bevorderen. En het gaat om specifieke vaardigheden en de creatie van mentale ruimte om te willen bewegen. Dat laatste vraagt onder meer om veiligheid en vertrouwdheid.

Lia: Ik wil daar even op ingaan. De ruimte die direct bereikbaar is, is van groot belang. We zien dat kinderen bijvoorbeeld steeds minder bewegen. De ruimte vlakbij huis is daarvoor belangrijk; de stoep voor de deur, het pleintje om de hoek. Die ruimte is nodig voor de momenten waarop er eigenlijk weinig tijd is. Daarvoor is niet ingevulde, maar wel vlakbije ruimte nodig. Dat is de ruimte waar kinderen kunnen spelen met het buurjongetje, terwijl de ouders koken en de oude buurvrouw van het kinderspel kan genieten.

Hugo: Klopt. Daarnaast is dan die mentale ruimte nodig om de concurrentie van andere vrijetijdsbesteding tegen te gaan. We zien dat het bewegen in de online wereld de beweging in de fysieke wereld verdringt en kinderen motorisch minder vaardig worden. Jongeren gamen veel. En helaas vaak juist die kinderen en jongeren, die toch al weinig buiten komen om te spelen en te sporten.

De link met gezondheid werd reeds gelegd. Is er ook een link tussen sporten, of bewegen moet ik zeggen, en zorg voor elkaar?

Hugo: Zeker. Kijk naar de Bridgebond en het programma Denken en doen. Bridge wordt ingezet om mensen aan te sporen om naar buiten te gaan. Het is leuk om te bridgen, en dat maakt dat mensen elkaar ontmoeten. We zien hetzelfde bij wandelgroepen, georganiseerd door de eerstelijnszorg. In principe gaat het om revalidatie of preventie van overgewicht, maar het houdt ook eenzaamheid tegen. Het stimuleert ontmoeting en zorg voor elkaar. En neem nu het aanbod van verschillende bonden voor vijftig plussers. Zoals walking voetbal. Die activiteit is leuk om te doen en trekt mensen, waarmee een nieuwe sociale omgeving voor ouderen tot stand komt. Zoals beweging een instrument kan zijn ter bevordering van onze fysieke gezondheid, kan het via zulke activiteiten ook bijdragen aan onze mentale gezondheid.

Lia: Ook dat vraagt om veiligheid. Dan gaat het om mobiliteit, de veiligheid om ergens te kunnen komen. Om bewegen en ontmoeting te faciliteren is een veilige en toegankelijke omgeving nodig. Als er beweging is in een veilige omgeving, kan sporten en bewegen bijdragen aan een levendige buurt. Dat spoort aan om de deur uit te gaan en te ontmoeten. Dat begint bij zien en gezien worden. En wellicht kan er vervolgens een praatje gemaakt worden en leren we elkaar kennen, kunnen er zelfs vriendschappen ontstaan. Dat alles draagt bij aan de zorg voor elkaar. Maar het is allemaal geen eenvoudige opdracht.

Hoe bedoel je?

Lia: Het wordt snel vergeten, maar we moeten ook rekening houden met sociale ongelijkheid, bijvoorbeeld die verschillende leeftijden, klassen en genders. Onderzoek laat zien dat de openbare ruimte nog vaak door jongens en mannen wordt gedomineerd. Sommige Cruijff Courts trekken bijna alleen jongetjes. Maar er zijn ook goede voorbeelden waarbij via programmering ook jonge meiden aangetrokken kunnen worden.

Hugo: Klopt. Voor groepen met een lage sociaaleconomische status (ses) is die programmering eveneens nodig. Lia en ik vinden onze weg wel naar de golfclub of de tennisclub, om maar iets te noemen. Vanuit achterstandswijken is dat wat moeilijker. Daar moeten we op durven ingrijpen, zoals met de buurtsportcoaches. Dat is een sociaal rechtvaardigheidsverhaal, maar gaat ook over de volksgezondheid en ons zorgstelsel.

En ligt daar een taak weggelegd voor de overheid?

Hugo: Zeer zeker. Het is een kettingreactie: lage ses, weinig bewegen en weinig participeren. Terwijl onze gezondheid een verdienstelijk goed is en we er met zijn allen belang bij hebben dat we hoge zorgkosten vermijden. Dat is het mooie aan de Brede Regeling Combinatiefuncties, die we absoluut moeten behouden: door de combinatie sport en welzijn of cultuur en bewegen komen letterlijk mensen in beweging die dat anders niet zouden doen. Het voorkomt eenzaamheid en bevordert gezondheid.

Lia: Het is een overheidstaak om de balans te zoeken tussen bewegen en de ruimte die we daarvoor nodig hebben. Maar we moeten wel oppassen dat we de mensen waar het om gaat een prominente plek geven bij het ontwikkelen van plannen. Anders krijgen we een middenklasse format dat niet per definitie uitnodigt voor de meer kwetsbare groepen.

Hugo: Dat geldt in zekere zin ook voor mensen met een mentale of fysieke beperking. Andermaal, de buitenruimte moet voor iedereen toegankelijk en bereikbaar blijven. Ontmoeten is ook buiten je bubbel durven treden en de openbare ruimte moet daartoe uitnodigen.

Over de auteurs
Blog

Ontmoeten in context

Waar zullen we afspreken? Ontmoeten heeft een plaats en tijd nodig. Een terras, een park of bij iemand thuis. Hier lijkt een groot verschil te bestaan tussen binnen en buiten. Binnen is de setting van de ontmoeting eenduidig; wie zorgt voor wat te drinken, welke andere mensen kunnen hier wel of niet bij aanwezig zijn? Uiteindelijk is binnen of buiten niet het belangrijkste in de context van ontmoeten, het gaat vooral over gevoelde controle. Ontmoeten is onlosmakelijk verbonden met vermijden. Ontmoeten zonder de mogelijkheid tot vermijden leidt tot een gevoel van onveiligheid. Wat of wie kan je aantreffen op een plek? Voor het vrijblijvend ontmoeten in de openbare ruimte geldt dezelfde regel, de vrijblijvendheid is de kwaliteit.

Blog

Een toegankelijke leefomgeving

Sinds 2016 is in Nederland het VN-verdrag Handicap van kracht. Daarin staat het recht omschreven van mensen met een beperking om volwaardig deel te kunnen nemen aan de samenleving, dus net als ieder ander. Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan, want onbedoeld werpt ‘de samenleving’ allerlei obstakels op voor wie verstandelijk, mentaal of fysiek afwijkt van wat normaal gevonden wordt. Van buurten wordt wel aangenomen of gehoopt dat zij gelegenheid bieden voor laagdrempelige ontmoeting, maar hoe toegankelijk zijn zij eigenlijk? Op basis van cijfers en interviews met 38 personen met een lichamelijke beperking of chronische ziekte schetste het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) een beeld van de toegankelijkheid van het publieke leven voor mensen. Ook de buurt kwam hierbij aan bod.

Extra moeite, minder mogelijkheden

Voor wie een lichamelijke beperking heeft, kost het vaak veel extra tijd en energie om iets te ondernemen. Een bezoek moet lang van tevoren gepland worden, gedetailleerde informatie moet worden ingewonnen en tegenvallers onderweg ingecalculeerd. In de woorden van een vrouw met een visuele beperking: ‘Als je een handicap of chronische ziekte hebt, dan ben je 75% van je tijd bezig om die andere 25% te organiseren’.

En dan nog zijn veel plaatsen niet toegankelijk. Een man vertelde dat hij bij twee van de ruim dertig restaurants in zijn woonplaats naar binnen kan. Een ander kan goed terecht bij zijn eigen sportclub, maar moet veel uitwedstrijden overslaan, omdat de tegenpartij geen toegankelijk toilet heeft.

Ook is de ervaring op een plek vaak niet gelijkwaardig aan die van anderen. Mensen met een beperking moeten bijvoorbeeld genoegen nemen met slechtere plaatsen in een theater of via een achterdeur naar binnen. Ontoegankelijkheid brengt ook met zich mee dat mensen afhankelijk zijn van anderen en dat veel nadruk komt te liggen op de beperking.

Sociale kant van toegankelijkheid

Of het mogelijk en prettig is om ergens te zijn, hangt ook af van andere mensen. Sociale barrières bestaan er bijvoorbeeld uit dat mensen met een zichtbare beperking regelmatig worden aangestaard, botte opmerkingen krijgen of al te persoonlijke vragen. Ook worden zij regelmatig genegeerd, waarbij anderen uitgaan van het vooroordeel dat zij niet goed aanspreekbaar zijn.

Vooral personeel kan veel verschil maken. In supermarkten, waar veel deelnemers bekend zijn, waren ervaringen vaak positief. Een vrouw vertelde bijvoorbeeld dat er voor haar een geschikte boodschappenkar klaarstaat. Aan de andere kant vertelde een jonge vrouw dat haar regelmatig de toegang tot een winkel wordt geweigerd wegens haar loopfiets, terwijl ze die echt nodig heeft. Een man werd bij het bezoeken van concerten verschillende keren gevraagd om apart te zitten van zijn gezelschap, om plaats te maken voor een andere bezoeker met een rolstoel. Mensen lijken zich er dan niet van bewust hoe vervelend dit is.

Onvoorspelbare obstakels in de openbare ruimte

Omdat reizen vaak lastig is en veel kostbare energie kost, organiseren veel deelnemers aan het onderzoek hun leven het liefst dichtbij huis. De eigen omgeving heeft ook als voordeel dat deze bekend is. Toch is de openbare ruimte niet altijd toegankelijk. Zo vertelden deelnemers met een rolstoel of een visuele beperking dat zich op de stoep regelmatig afvalbakken, borden of fietsen bevinden. Deze onvoorspelbare obstakels zorgen voor onhandige en vaak gevaarlijke situaties en geven daarom een gevoel van onveiligheid. Vooral in steden ervaren mensen met een beperking de openbare ruimte als minder toegankelijk, door drukte, maar ook doordat historische bestrating voor veel mensen slecht begaanbaar is.

Koffie en buurtbarbecues

Wat betreft de sociale toegankelijkheid van de buurt is het beeld dubbel. Als deelnemers vertelden over hun buren en buurtgenoten, was dit vaak in positieve zin. Voor een vrouw werden haar buren een stuk belangrijker toen zij moest stoppen met werken. Haar gezellige buurtje omschrijft ze als een godsgeschenk. Ze drinkt vaak koffie met haar buren en is blij dat er sociale controle is ‘zonder vervelend [te zijn]’. Een vrouw die een aantal jaar aan huis gekluisterd was, vertelde grappend hoe haar buren haar in die tijd hadden ‘uitgelaten’. Zij wandelden toch.

Voor veel deelnemers was het wel belangrijk niet afhankelijk te zijn van buren, of niet gezien te worden als afhankelijk. Zij benadrukten bijvoorbeeld de wederkerigheid in de relatie of de steun die zij krijgen van familie. Een jonge vrouw vertelde dat ze het fijn vindt te weten dat de buren met wie zij goed contact heeft, zouden kunnen helpen als dat nodig was, maar ze maakt ‘er niet echt gebruik van, gelukkig’. En natuurlijk is niet iedereen even geïnteresseerd in het buurtleven. Een vrouw, met verschillende goede kennissen in de buurt, beschouwde de buurtbarbecue als sociale verplichting. Met zichzelf sprak ze af haar gezicht daar om het jaar te laten zien.

Sociaal toegankelijke buurten

In sociaal opzicht is de buurt voor veel mensen met een lichamelijke beperking of chronische ziekte dus goed toegankelijk: zij kunnen er hun leven naar eigen inzicht vormgeven in gelijkwaardigheid aan anderen. Maar cijfers laten zien dat mensen met een (ernstige) lichamelijke beperking ondanks hun relatief lokale leefpatroon, vaker nauwelijks contact met buren hebben dan anderen. Mogelijk is het met een handicap dus toch moeilijker contact te leggen. De eerdergenoemde wens niet gezien te willen worden als afhankelijk kan een sociale barrière vormen. Zo vertelde een vrouw dat zij het gevoel had dat haar buren afstand hielden uit vrees dat ze op hen zou gaan leunen.

Ontmoetingsplekken in de buurt kunnen het opdoen van sociale contacten in de buurt vergemakkelijken. Een aantal mensen vertelde hoe zij via een religieus verband een hulpvaardig netwerk hebben gekregen in de buurt. Ook buurthuizen of buurtinitiatieven kunnen deze ontmoetingsfunctie vervullen. Hiertoe voelt niet iedereen zich aangetrokken, maar het zijn toegankelijke plekken die een goede ingang bieden tot een sociaal netwerk.

Hoe waardevol deze netwerken kunnen zijn, blijkt ook uit hun kwetsbaarheid. Een man vertelde hoe zijn netwerk via de kerk verwaterde toen hij niet meer in staat was de dienst te bezoeken. Een vrouw met een visuele beperking bezocht met een buurvrouw een belangengroep voor leefbaarheid, maar sinds de buurvrouw verhuisde gaat ze niet meer. Alleen gaan vindt ze onprettig en ze weet niet wie ze kan vragen om nu met haar mee te lopen. Ook in de buurt is gelijkwaardige deelname niet vanzelfsprekend. Een toegankelijke omgeving vergt soms wat extra moeite en opmerkzaamheid van anderen.

Over de auteur