Deelmodule 3 - Praten over mensbeelden
In de voorgaande deelmodules zag je waarom het belangrijk is om impliciete mensbeelden expliciet en bespreekbaar te maken. Deze deelmodule gaat over hoe je dat gesprek kunt voeren.
Opdracht 6
Het doel van deze oefening is om met elkaar al een keer het gesprek aan te gaan over mensbeelden. Bespreek daarom samen de opgehaalde mensbeelden van de afgelopen week. Pak het voorbeeld dat jou meest is opgevallen en leg dat voor aan de groep. Neem hier ongeveer 15 minuten de tijd voor. Ga eventueel daarna voor jezelf na wat je opviel tijdens het bespreken, bijvoorbeeld wanneer jullie het oneens waren. Voelde iedereen de ruimte voor verschillende perspectieven?
Zoals je hebt gemerkt in opdracht 6 is het belangrijk om over mensbeelden te praten. Het gesprek moet andere perspectieven ophalen die uiteindelijk leiden tot verbeterd beleid. Want wanneer een mensbeeld vaststaat, ligt er veel macht in verscholen in dat mensbeeld. Daarom is het nodig het heersende mensbeeld in het beleid te bevragen.
In het filmpje hieronder legt Roel, onderzoeker bij het SCP, uit wat een stille ideologie is die vanuit een mensbeeld uit het beleid naar voren kan komen en hoe je dat die stille ideologie het beste kunt bevragen.
Waarin ligt de macht van een mensbeeld?
Wanneer eenzijdige aannames over burgers eenmaal zijn vastgelegd in regels en wetten, kunnen ze risicovol zijn. Dat is het geval wanneer dat mensbeeld niet alleen een opvatting is, maar een norm of de maat wordt waar alle burgers aan zouden moeten voldoen, terwijl sommige burgers daar niet aan kunnen of willen voldoen. Dat leidt niet alleen tot uitsluiting, maar leidt in ergere vorm ook tot vernedering, zo stelt de RVS.
De RVS beschrijft dat wanneer de mensbeelden, die ten grondslag liggen aan het beleid niet overeenkomen met de beleving van burgers, diezelfde burgers worden ingeschat op basis van een norm die niet bij hen past. Dat kan hen het gevoel geven niet thuis te horen in de gemeenschap. Oftewel: uitsluiting op basis van die normen. Ze voelen zich dan niet gezien of gehoord in hun kwetsbaarheid en het vertrouwen dat ze hebben in de overheid kan daardoor afnemen. En wanneer dat gebeurt zijn ook de voorzieningen niet langer herkenbaar als zijnde (ook) voor hen. Het geeft die groepen in feite minder macht en ook minder toegang tot bijvoorbeeld voorzieningen waar de ‘ideale’ groep wel gebruik van kan maken.
“Het expliciteren van mensbeelden onder wet- en regelgeving is geen vrijblijvende nevenactiviteit, maar vormt het hart van het politieke debat over de verzorgingsstaat.”
– RVS
Hoe en wanneer organiseer je het gesprek over mensbeelden?
Om mensbeelden expliciet te maken, helpt het om altijd te volgende vier vragen te beantwoorden. Bijvoorbeeld bij een wijziging, evaluatie of nieuw voorstel van een wet, verordening of beleidsplan.
- Op welk mensbeeld is deze wet of dit beleid gebaseerd?
- Welke mensen passen niet in dit mensbeeld en wat zijn voor hen de consequenties?
- Zijn die consequenties aanvaardbaar, en waarom wel of niet?
- Welke ruimte laat deze wet om ongewenste neveneffecten in lagere regelgeving en in de praktijk tegen te gaan?
Om een goed gesprek over deze vragen te kunnen voeren, is het belangrijk om mensen te spreken en te betrekken die zelf ervaringen met het beleid hebben. Ervaringskennis kan ook in de organisatie aanwezig zijn, maar denk ook aan burgers uit de doelgroep, experts en professionals van uitvoeringsorganisaties. Nodig dus actief burgervisies en tegenspraak van buiten uit. Dit is vooral van belang voor het beantwoorden van de tweede vraag.
Er zijn verschillende manieren denkbaar om zulke reflecties meer structureel in te bedden in het beleidsproces. Reflectie en tegenspraak zouden standaard onderdeel kunnen en moeten zijn van beleidsvorming, en zijn integraal onderdeel van bijvoorbeeld het beleidskompas. Of denk aan een ‘red team’ dat als taak heeft om tegen te denken, over vooroordelen heen te stappen en creatieve oplossingen aan te dragen.
Verdieping: De Raad van State en de doenvermogenstoets
De discussie over mensbeelden heeft raakvlakken met het thema doenvermogen. Mensbeelden zijn echter meeromvattend dan doenvermogen. Doenvermogen is gericht op aannames over wat mensen kunnen. Het gaat over de vermogens van mensen om in de praktijk te doen wat beleid van hen verlangt. Mensbeelden zeggen ook iets over ons beeld van wat mensen willen, moeten en mogen. Bovendien zijn mensbeelden vaak normatief geladen – ze gaan gepaard met allerlei impliciete normen, waarden en idealen.
Hoe de Raad van State zelf op mensbeelden reflecteert
We zagen recent een aantal voorbeelden van publieke organisaties die het reflecteren op en expliciteren van mensbeelden onderdeel maken van hun werkproces. Misschien kunnen deze voorbeelden inspiratie bieden voor andere organisaties. Zo heeft de Raad van State (RvS) het thema mensbeelden opgenomen in zijn beoordelingskader, als onderdeel van de beleids- en uitvoeringsanalyses. RvS gaat in zijn advisering over nieuwe wet- en regelgeving na of burgers en andere private partijen met wet- en regelgeving uit de voeten kunnen:
‘Kunnen zij de regeling in de praktijk toepassen? Welke belasting brengt dat met zich mee en wat hebben zij daarvoor nodig? Wat is gedaan om toepassing in de praktijk te waarborgen?’
RvS schrijft:
‘Van wezenlijk belang is ook van welk mensbeeld het voorstel uitgaat. Raakt de voorgestelde regeling bijvoorbeeld burgers die veel stress ervaren, vanwege life events (ontslag, verlies van partner, echtscheiding, faillissement etc.) of vanwege schulden of ziekte? Wat is het handelingsvermogen van deze burgers?’ (RvS 2022: 11).
De Raad van State koppelt mensbeelden daarbij aan het thema doenvermogen. Ook in andere overheidsorganisaties is erveel aandacht voor het doenvermogen van mensen. Zo heeft het kabinet naar aanleiding van het WRR-rapport Weten is nog geen doen uit 2017 een verplichte kwaliteitseis gemaakt dat er rekening gehouden moet worden met het doenvermogen bij de beleidsvorming. Om na te gaan of beleid, wet- en regelgeving uitgaan van realistische aannames over het doenvermogen van de doelgroep, kan een doenvermogenstoets worden uitgevoerd. Om mensbeelden te expliciteren is meer nodig dan een doenvermogenstoets, maar deze aanpak biedt wel aanknopingspunten hoe dit kan worden aangepakt.
Handige tips voor het uitvoeren van een doenvermogenstoets vind je hier.
Gedachtenexperiment: een verantwoord mensbeeld
Verantwoording is een techniek die kan helpen om het gesprek te voeren over mensbeelden en daar kritisch op te reflecteren. Een literatuurstudie van Aleksovska et al. (2019) laat zien dat verantwoordingsmechanismen tot beter beleid kunnen leiden, en dat deze techniek daarbij kan helpen. De techniek behelst een (groeps)gedachtenexperiment: stel je voor dat je ter verantwoording wordt geroepen over het mensbeeld dat onder jouw beleidsplan ligt. Het kan om formele verantwoording gaan zoals tegenover de Tweede Kamer. Ook kan het om morele verantwoording gaan zoals tegenover een afvaardiging van de doelgroep. Welke argumenten zou je aanvoeren voor de veronderstellingen ten aanzien van het gedrag van de doelgroep? Waar zijn deze argumenten op gebaseerd? Literatuur, onderzoek, persoonlijke ervaring, vermoedens? Zo’n expliciete doordenking en gezamenlijke bespreking zal leiden tot het besef dat sommige veronderstellingen en argumenten bijgesteld moeten worden. Ook kan duidelijk worden dat er informatie ontbreekt over de doelgroep die nodig is voor een goede beleidskeuze. (Gebhardt en Feijten 2022: 18).
Sociaal werker Juul laat zien het gesprek met de ambtenaren, en soms de wethouder, waardevol kan zijn. En dat gesprek begint bij elkaar letterlijk ontmoeten en elkaar leren kennen in de professionele rol die iedereen heeft. Dan kun je van elkaar leren en ook dat komt het beleid ten goede.
Opdracht 7
Ga met Juul’s verhaal in het achterhoofd met jouw collega’s het gesprek aan, in de vorm van een rollenspel. Kies een partij waarvoor je je verantwoordt, of dat nu de burgers zijn of de Tweede Kamer. En stel elkaar dan de volgende vragen: wie hebben het voordeel van het mensbeeld dat achter het beleid ligt? Voor wie pakt het goed uit en hebben dus de ‘macht’. Andersom: wie hebben die macht dus niet? Wat is daar een nadeel van? Probeer hierbij echt het perspectief in te nemen van de burger, de Tweede Kamer of juist de uitvoerende ambtenaar of jurist die het wetgevingstraject begeleid heeft.